Kansongelijkheid begint in de baarmoeder

Overzicht
Home > nieuws > Kansongelijkheid begint in de baarmoeder

Bastian Ravesteijn is universitair docent aan de Erasmus School of Economics en gepromoveerd als econoom. Op de website KansenKaart.nl  brengt hij met collega’s de kansengelijkheid in Nederland in kaart, onder meer op het gebied van inkomen en onderwijs. Ook het thema geboortegewicht leverde een aantal opvallende conclusies. “Kansenongelijkheid begint in de baarmoeder”.

Inkomen en geografie van belang

Ravesteijn: “Nederland is een egalitair land, maar de verschillen zijn heel groot.” Hij noemt als belangrijkste conclusies: 1) ouders met een laag inkomen hebben twee keer zoveel kans om een baby met een te laag geboortegewicht (“small for gestational age”) te krijgen als ouders met een hoog in inkomen, en 2) geografie speelt óók een belangrijke rol. Als je alleen kijkt naar ouders met een laag inkomen, zie je alsnog grote verschillen in Nederland. Ravesteijn: “Een te laag geboortegewicht kan veroorzaakt worden door leefstijl en hangt sterk samen met ongewenste uitkomsten later in het leven. We zien dat dit vaker voorkomt in grote steden en in Noord-Brabant en Limburg”.

De relatie tussen een laag geboortegewicht of vroeggeboorte en het ouderlijk inkomen

We kennen allemaal de geografische platen waaruit duidelijk wordt dat geboortezorguitkomsten in bepaalde gebieden slechter is dan in andere gebieden. Prof. dr. Eric Steegers claimde eerder dat de postcode misschien wel belangrijker is dan je DNA. Ravesteijn: “Het zal niemand verbazen dat geboorte-uitkomsten slechter zijn in wijken waar veel sociaal-economische problemen zijn. Maar door Perined-data te koppelen aan het inkomen van ouders, kunnen we kinderen van ouders met een even laag of hoog  inkomen vergelijken. En dan blijkt dat er nog steeds grote verschillen tussen gemeenten, en zelfs nabijgelegen wijken te bestaan”.

In de hierna getoonde figuren zie de relatie tussen het ouderlijk inkomen en het percentage kinderen met een laag geboortegewicht, wat betekent dat een kind behoort tot de lichtste 10 procent van alle kinderen met dezelfde zwangerschapsduur. De kansen voor een baby om met een te laag geboortegewicht te worden geboren zijn dus tweemaal zo groot bij ouders met een laag inkomen vergeleken met ouders met een hoog inkomen.

Ook ‘Beter Weten’ van RIVM concludeerde dat sociaaleconomische factoren belangrijke rol spelen

In december 2020 rapporteerde het RIVM de resultaten van een onderzoek naar trends, oorzaken en verbanden rond perinatale sterfte. Uit het RIVM-rapport bleek dat met het huidige palet aan maatregelen in de geboortezorg een plafond bereikt lijkt te zijn en dat intensivering van ingezette acties nodig is om het perinatale sterftecijfer verder laten dalen.

Uit het rapport ‘Beter Weten: een beter begin’ bleek dat de stagnerende babysterfte met veel factoren te maken heeft, waaronder de leefstijl van de aanstaande ouders, maar ook met sociale factoren, zoals laaggeletterdheid, taalachterstand en armoede. Ook werden obesitas en een niet-westerse herkomst van de moeder als risicofactoren geduid. Uit het rapport bleek dat deze risicofactoren het risico op vroeggeboorte en de kans op babysterfte verhogen. Babysterfte en vroeggeboorte komen bovendien vaker voor in achterstandswijken.

Kansrijke start

Het actieprogramma Kansrijke Start heeft tot doel om meer kinderen een kansrijke start te geven. Circa 14% van de kinderen (bijna 25.000 per jaar) heeft geen goede start bij de geboorte door vroeggeboorte, een te laag geboortegewicht of een combinatie daarvan. Kinderen met een valse start bij de geboorte krijgen later vaker groei- en (psychische) ontwikkelingsproblemen, suikerziekte, hart- en vaatziekten en overgewicht.

Ravestijn: “Omstandigheden zijn al vanaf de geboorte bepalend voor de ontwikkeling en gezondheid tijdens de rest van het leven. Intensieve hulp binnen een kwetsbaar gezin tijdens de eerste duizend dagen zou wel eens essentieel kunnen zijn om te zorgen dat alle kinderen een goede start in het leven krijgen.”